Wat is nodig voor MLHD

Uitvoering MLHD stap voor stap

Voorbeelden toepassing MLHD

MLHD meetapparatuur


1. Inleiding

 

MLHD betekent Minimum Letale Herbicide Dosering. MLHD is een nieuw concept binnen chemische onkruidbeheersing in de akkerbouw en de vollegrondsgroenteteelt. Voordelen van MLHD zijn dat doseringen van herbiciden lager zijn dan die van de gangbare praktijk (gemiddeld 30% lager) en dat effecten van de herbiciden op onkruid en gewas vroegtijdig voorspeld worden. Eventueel nadelige effecten van herbiciden worden dus geminimaliseerd. Een nadeel van MLHD is dat de uitvoering tijd en investeringen van de toepasser vraagt. De methode is kennisintensief. Volgens een voorzichtige schatting wegen de voordelen van MLHD op tegen de nadelen bij circa 30 ha rooivruchten (aardappelen, suikerbieten en uien op centraal kleigebied) op akkerbouwbedrijven of bij circa 40 ha mas. In vollegrondsgroente- en andere open teelten is tot nog toe beperkte ervaring met MLHD opgedaan. Ook hier lijkt het MLHD-concept toepasbaar.

 

MLHD is in de periode 1998-2001 op praktijkbedrijven getoetst. MLHD is anno 2002 praktijkrijp voor fotosyntheseremmende herbiciden. Voor deze middelen zijn doseringstabellen beschikbaar (zie MLHD online). Tevens zijn er adviezen aangaande hoe effecten van eerdere bespuitingen meegewogen kunnen worden bij de inzet en dosering van vervolgbespuitingen. MLHD kan zowel toegepast worden binnen een Lage Doseringen Systeem (LDS) als binnen een systeem waarin n dosering per teelt voorzien is (bijvoorbeeld in mas).

 

Een beperking van de huidige versie van MLHD is dat eventuele weereffecten niet in de doseringsadviezen van MLHD verwerkt zijn. Weereffecten worden nu op basis van ervaring meegewogen. Het MLHD-advies wordt na vaststelling naar boven of beneden bijgesteld voor eventuele weereffecten op basis van kennis van de toepasser of op basis van advies van een andere adviesbron (bijv. GEWIS).

 

2. Wat is er nodig voor toepassing van MLHD:

 

1.      PC om doseringstabellen op te vragen (zie MLHD online)

2.      Meetapparatuur (PS1-meter of PPM-meter)

3.      Vertaling van meetwaarden naar verwachte effectiviteit (zie MLHD online)

4.      Basiskennis van chemische onkruidbestrijding en enige ervaring met de MLHD-methode

 

3. Toepassingswijzen van MLHD

 

De afgelopen jaren zijn er verschillende varianten van toepassingen van MLHD ontstaan. Sommige telers kiezen voor de simpelste variant, te weten meten 2 tot 3 na een bespuiting en daarmee inschatten of de behandeling voldoende werkzaam is. Andere telers kiezen voor doseren op basis van de doseringsadviezen en vervolgadviezen in MLHD online. Dit vraagt meer tijd maar geeft ook meer resultaat (minder herbicidengebruik). In die gevallen worden meestal een metingen gedaan vlak voor de vervolgbehandeling en meegewogen bij vervolgmaatregelen. Weer andere telers gebruiken de metingen vooral om effecten op het gewas inzichtelijk te maken en daarop te anticiperen. Effecten van bodemherbicidetoepassingen kunnen ook inzichtelijk gemaakt worden met MLHD. Voor welke variant men ook kiest, in hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van de stappen die horen bij MLHD. Deze beschrijving dekt alle hiervoor genoemde varianten van toepassingen van MLHD.

 

4. Uitvoering MLHD stap voor stap

 

Algemeen: Via WWW.MLHD.NL komt u op een site waar de beslissingsondersteunende informatie van de MLHD-methode aangetroffen wordt. Deze informatie beslaat de doseringstabellen per fotosyntheseremmer per gewas en de rekenregels om te komen tot adviezen voor vervolgmaatregelen.

 

 

Stap 1. MLHD is gericht op toepassing van fotosyntheseremmende herbiciden met een contactwerking tegen vooral breedbladige onkruiden. Bij toepassing van MLHD dient er een beeld te zijn van de onkruidsoorten op het perceel en de stadia waarin zij verkeren. De toepasser moet waarnemingen aan het onkruid doen. Bij voorkeur wordt op 5 representatieve plekken op een perceel genoteerd welke soorten aanwezig zijn en in welk stadia die soorten zich bevinden. Eventueel worden 30 onkruiden per ha verzameld om de biomassa van de bladeren te wegen. Deze weegstap was een onderdeel van een oude versie van de MLHD-methode maar is nu niet meer nodig omdat er een vertaalslag naar stadia gemaakt is.

 

Stap 2. De toepasser dient een keuze te maken aangaande in te zetten herbiciden. Per gewas zijn er vaak meerdere mogelijkheden waarvan een deel fotosyntheseremmende herbiciden zijn. In MLHD online staan 4 gewassen genoemd en een categorie algemeen voor middelen in relatief kleine teelten.

Na vaststelling van de herbicidekeuze dient vastgesteld te worden welk onkruidgevoeligheidsklasse (zie onkruidgevoeligheidstabellen in MLHD online) van toepassing is aan de hand van de aanwezige soorten en vervolgens welk onkruidstadium van toepassing is aan de hand van geregistreerde stadia (is bepaald onder stap 1). Vervolgens wordt de bijhorende MLHD-dosering afgelezen door te klikken op middel-stadium combinatie (klikken op +++, ++, + of -). Bij deze keuzen dient de toepasser zich te richten op de minstgevoelige soort die hij of zij wil bestrijden. Bij tankmixen van herbiciden kennis nemen van voetnoten bij de tabellen.

 

Stap 3. Na de vaststelling van de MLHD-dosering dient kritisch bekeken te worden of de dosering aangepast dient te worden op basis van weereffecten, spuittechniek of formulering. De MLHD-dosering mag voorlopig niet lager worden dan een vastgesteld minimum dat steeds aangegeven wordt bij een doseringstabel. Raadpleeg eventueel uw teeltadviseur, andere documentatie of Gewis bij twijfel.

 

Stap 4. De MLHD-dosering dient binnen 24 uur na vaststelling toegediend te worden bij voorkeur op een optimaal moment zoals aangegeven door het GEWIS-programma. Lukt dit niet binnen de gestelde tijd, overweeg dan de dosering aan te passen aan de nieuwe situatie. Er zijn geen speciale toedieningstechnieken nodig voor MLHD, wel is het van belang dat degelijke spuitapparatuur gebruikt wordt en dat drift voorkomen wordt.

 

Stap 5. Twee tot drie dagen na een bespuiting kan de effectiviteit van een fotosynthese-remmend herbicide vastgesteld worden met de apparatuur die in de inleiding genoemd wordt. Hiervoor zijn een PS1-meter of een PPM-meter geschikt. De PS1-meter geeft waarden tussen de 0 en 100 waarbij 0 gezond is en 100 geen fotosynthese is. PPM geeft meetwaarden tussen 0 en 80 waarbij 0 geen fotosynthese is en 80 gezond is. Bij voorkeur worden per perceel metingen gedaan aan minimaal 10 onkruidplanten van de 3 tot 5 belangrijkste onkruidsoorten. De PPM-metingen dienen in een donkere ruimte gedaan te worden.

De meetstap bij voorkeur herhalen indien besloten wordt een vervolgbespuiting uit te voeren, bijvoorbeeld n tot twee dagen voor de vervolgbespuiting. Deze meting geeft een representatiever beeld dan die van 2-3 dagen na de bespuiting.

De metingen kunnen ook aan het gewas gedaan worden.

 

Stap 6. Uiteindelijk dient een beslissing genomen te worden over vervolgbehandelingen. De meetstappen onder 5 geven aan welke mate van bestrijding gedifferentieerd naar onkruidsoorten verwacht mag worden.

 

Voor PS1 geldt dat een meetwaarde boven de 80 na 2-3 dagen na een bespuiting een zeer goed bestrijdingseffect voorspeld voor het betreffende onkruid.

Voor PPM geldt dat een meetwaarde onder de 15 na 2-3 dagen na een bespuiting een zeer goed bestrijdingseffect voorspeld voor het betreffende onkruid.

 

Een beter advies wordt verkregen door de meetwaarden in MLHD online in te voeren (zie ook handleiding MLHD online). De gegevens per onkruidsoorten invoeren. Bij het beslissen over eventuele vervolgbehandelingen dient de toepasser zich te richten op de minstgevoelige soort-stadiumcombinatie die hij wil bestrijden. Beslist hij dat een vervolgbehandeling nodig is (meetwaarden zijn hiervoor een aanwijzing), dan dient hij af te wegen of die dosering gericht moet zijn op de ontsnapte onkruiden of op nieuwe onkruiden. Hij dient hier dus verschillende opties af te wegen volgens de methode beschreven onder stappen 2 en 3. Hij dient te bepalen welke dosering het hoogste is, die voor eventuele overblijvers of die voor eventuele nieuwe onkruiden. Vervolgens kiest hij die dosering die de door hem gewenste klus kan klaren.

 

Stap 7. Stappen 1-6 herhalen bij een 3e, 4e of 5e bespuiting.

 

 

 


5. Voorbeelden toepassing metingen MLHD

 

 

1. Voorbeeld verloop PS1-meetwaarden in de tijd (zie Figuur 1 en Figuur 2): Melganzevoetplanten in een 2-4 bladstadium in een suikerbietengewas werden behandeld met 0,5 BOGT, 0.13 BOGT. In de dagen na de bespuiting werden metingen gedaan met een PS1-meter. Bij 0,5 BOGT was na 2 dagen de meetwaarde boven de 80, indicatief voor goede bestrijding. Bij 0,13 BOGT was de bestrijding onvoldoende en diende een vervolgbehandeling gedaan te worden (PS1 waarden < 65).

 

 



 

 

2. Voorbeeld suikerbiet op Proefboerderij t Kompas: uit tabel x blijkt dat kort na de vierde bespuiting alleen in object B nog enkele onvoldoende bestreden onkruiden aanwezig waren (dit waren enkele relatief grote melganzevoetplanten met PPM-waarden van > 20). Voor de overige objecten en soorten werd op dat moment voldoende mate van bestrijding geconstateerd. Er is toen vanwege voorzichtigheid besloten een vijfde bespuiting te doen. Op basis van de uitkomsten van de effectiviteitmetingen binnen MLHD had de vijfde bespuiting op t Kompas achterwegen gelaten kunnen worden, mede omdat het aantal overgebleven melganzevoetplanten gering was, het gewas toen al redelijk goed ontwikkeld was en er nog een mechanische onkruidbestrijding (schoffelen) zou volgen.

 

 

Tabel x: Effectiviteitmetingen twee dagen na de vierde bespuiting met Goltix T OF of B.O.G.T. aan belangrijke onkruiden en gewas met een PPM-meter op t Kompas. Hoe lager de PPM-waarde, hoe groter het effect, en PPM-waarden kleiner dan 20 voorspellen sterfte.

 

Object

Systeem

Middel

Suikerbiet

Perzikkruid

4-blaadjes

Perzikkruid

2-blaadjes

Melganzevoet 4-blaadjes

Melganzevoet

Kiemplanten

Muur

A

Praktijk

Goltix TOF

72

11

-

-

-

6

B

MLHD

Goltix TOF

76

16

12

24

5

11

C

MLHD

Goltix TOF

73

11

8

-

-

9

D

Praktijk

B.O.G.T.

70

-

15

-

-

9

E

MLHD

B.O.G.T.

72

-

18

-

-

12

F

MLHD

B.O.G.T.

72

-

10

-

-

11

O

Onbeh.

 

74

69

70

71

71

70

- geen of onvoldoende planten aanwezig per veldje om een betrouwbare uitspraak te doen. Gemiddelden van circa 10 metingen per veldje worden weergegeven.

 

 

3. Voorbeeld suikerbiet op Proefboerderij Kollumerwaard: uit tabel y blijkt dat kort na de derde bespuiting enkele relatief grote knopige duizendknoopplanten onvoldoende bestreden waren (in elk object werden planten met een PPM-waarde > 20 waargenomen). Er is toen besloten om geen vierde bespuiting uitgevoerd omdat de dichtheid van de ontsnappers gering was en de proefveldbeheerder het voornemen had nog een mechanische onkruidbestrijding uit te voeren (is uiteindelijk niet gedaan vanwege het weer).

 

 

Tabel y: Effectiviteitmetingen twee dagen na de derde bespuiting met Betanal Trio of B.O.G.T. aan belangrijke onkruiden en gewas met een PPM-meter op Kollumerwaard. Verdere toelichting, zie tabel x.

 

Object

Systeem

Middel

Suikerbiet

Paarse dovenetel

2-blaadjes

Kn. Duidzendknoop

4-blaadjes

Kn. Duizendknoop 2-blaadjes

A

Onbeh.

 

70

59

62

62

B

Praktijk

Bet. Trio

68

8

8

0

C

MLHD

Bet. Trio

69

15

26

9

D

MLHD

Bet. Trio

69

12

21

6

E

MLHD

B.O.G.T.

71

17

15

0

F

Praktijk

B.O.G.T.

72

9

0

14

G

MLHD

B.O.G.T.

70

14

13

10

- geen of onvoldoende planten aanwezig per veldje om een betrouwbare uitspraak te doen. Gemiddelden van circa 10 metingen per veldje worden weergegeven.

 

 

Een bijkomend voordeel van de effectiviteitmetingen is dat het een effect richting het gewas zichtbaar gemaakt kan worden. Uit Tabel x blijkt bijvoorbeeld dat object B met de minst toegediende hoeveelheid actieve stof de hoogste PPM-waarde heeft, en dus het gewas het minst benvloed is geworden door de bespuitingen. Of dit in meeropbrengst doorvertaalde is niet onderzocht. Het standcijfer van object B bij sluiten van het gewas was wel beter dan die van de andere chemische objecten.Voorbeeld.

 

 

4. Voorbeeld uien in Flevoland: Een teler heeft op 27 mei gespoten met 0,2 liter Basagran en 0,2 liter Actril per ha. Op 29 mei krijgt hij via LUE metingen met EARS PPM meter te weten dat alleen de soorten Klein Kruiskruid en Ereprijs onvoldoende bestreden zijn (zie Tabel z). Hiervoor kan hij een vervolgbespuiting inzetten. Doet hij dat op 29 mei, dan kan dat met 40% van het advies. Doet hij dat op 9 juni, dan kan dat met 75% van het advies. Deze teler besloot niet een chemische bestrijding in te zetten daar Klein Kruiskruid en ereprijs relatief ongevoelig zijn voor Basagran en Actril en omdat hun dichtheden zo laag waren dat het onkruid met 1 uur handmatig wieden per ha bestreden kon worden. Hiermee werd een herbicidentik aan de ui bespaard.

 

 

Tabel z. Effectiviteitmetingen met PPM-meter aan behandeld onkruid

 

Soort

Stadium (aantal blaadjes)

PPM

29 mei

PPM

9 juni

Zwarte nachtschade

2

5

0

Vogelmuur

6-8

5

0

Klein Kruiskruid

3

26

48

Perzikkruid

4

15

0

Ereprijs

2-3

28

40

Ui

 

50

65

 


6. MLHD meetapparatuur

 

 

In 2002 zijn er twee meetapparaten te gebruiken bij toepassing van MLHD.

 

De MLHD PS1-meter is sinds kort beschikbaar (zie onderstaande foto). Voor informatie over (gebruik van) de meter, zie de handleiding van de MLHD PS1-meter (link maken) of informeer bij C. Kempenaar (0317 475830, corne.kempenaar@wur.nl). Het voordeel van de PS1-meter is dat de meting buiten bij daglicht gedaan kan worden i.t.t. de PPM meter die ook gebruikt kan worden. De PS1-meter werkt op basis van verandering in absorptie van licht door Photosysteem 1. De schaal loopt van 0 (geen groeiremming) tot 100 (geen groei). Onbehandelde planten geven een waarde van circa 5-15. Waarden boven de 20 geven groeiremming. Waarden boven de 65 geven aan dat de groei zeer sterk geremd is.

 

 

 


 

De PPM-meter is al langer beschikbaar. PPM betekent Plant Photosynthese Meter. De meter werkt op basis van metingen aan fluorescentie van planten. De schaal loopt van circa 80 (geen groeiremming) tot 0 (geen groei). Voor meer informatie over de meter kunt u terecht bij EARS in Delft (www.ears.nl).